Haringstal
Mijn ouders wilden per se dat ik naar een Montessorischool ging en daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor.
Het probleem was echter wel, dat wij zo ver van de dichtstbijzijnde school woonden,
dat ik al op mijn zesde met lijn 27 of 1 vanaf de Raadhuisstraat naar de Kinkerstraat hoek Jan Pieter Heijestraat moest reizen. Eerst nog samen met mijn moeder, maar vanaf mijn zevende (meen ik) alleen.
Lijn 27 was 's ochtends altijd een feest op het volgeladen voorbalkon. Hier gaven alle passagiers, de chauffeur, een goed en welgemeend advies hoe hij zijn tram het beste door de stad kon laveren.
In de zomer, als het lekker weer was, waren de zijdeurtjes open en kon je de wind lekker door je haar laten gaan. Kortom alle dagen feest.
Als ik in de middag weer naar huis ging, liep ik altijd langs het oude postkantoor richting het SIngel. Op die hoek stond nl. de haringstal van “ome Barend”, waar ik elke dag een paar stukjes haring kreeg. Daarvandaan was het slechts een klein stukje lopen naar de Oude Leliestraat waar wij woonden.
Ik dacht dat ik die haring altijd kreeg, maar later begreep ik pas dat mijn moeder aan het eind van de week altijd even ging afrekenen.
Zeker is wel dat Ome Barend mij de liefde voor haring heeft aangeleerd, zo zeer zelfs, dat ik lange tijd zelf graag haringboer wilde worden.
Afgelopen donderdag las ik tot mijn verbazing een stuk in het Parool dat de gemeente Amsterdam een soort van uitsterfbeleid aan het toepassen is met betrekking tot de haring stallen.
Een bestaande haringstal met de huidige eigenaar mag zo lang op zijn plaats blijven als hij wil, maar als er iets gewijzigd wordt, is dat totaal onmogelijk en moet de stal verdwijnen.
Wil men bijvoorbeeld kibbeling (waar een frituur voor nodig is) gaan verkopen of de stal iets vergroten, dan is dat verboden. Wil de eigenaar zijn stal aan zijn zoon of dochter overdoen, is dat ook niet toegestaan.
Het is onbegrijpelijk waarom de gemeente Amsterdam een soort uitsterfbeleid aan het toepassen is met betrekking tot dit typisch Amsterdamse stadsbeeld. Daar waar de ene na de andere stroopwafel- of pindakaaswinkel zijn deuren opent, moet dit bij jong en oud bekende Amsterdams erfgoed om onzinnige redenen verdwijnen.